Zoeken

Tiny House - een kritische analyse (2)


Vervolg van deel 1

(lees hier het eerste deel):



De voordelen van een Tiny House op een rijtje:

  • kleine footprint in oppervlakte

  • laag energieverbruik vanwege kleine volume

  • goedkoop door weinig materiaal verbruik

  • een snelle oplossing voor het woningtekort

Op de gegeven voordelen van een Tiny House valt misschien nog wel het een en ander af te dingen.

Is er echt sprake van overbevolking in de wereld zodat de nood hoog is om zo min mogelijk plek te gebruiken? Een rekensom kan een indruk geven: de Amerikaanse staat Texas is 696.241 km2 groot. Daarvan is 2,5% water. Het resterende landoppervlak is daarom 678.835 km2 . Als we de hele wereldbevolking van 8 miljard zielen naar Texas zouden brengen zou iedereen over

678.835 x 1000(m) x 1000(m) = 84,8 m2

8.000.000.000

kunnen beschikken. In theorie zou iedereen met een Tiny House van 50 m2 of minder nog een tuin kunnen hebben ook. Zeker als je niet alleen in een Tiny House woont. Een woonwagenkamp van formaat en de rest van de wereld leeg…?

Sinds het begin van deze eeuw worden architecten gevraagd levensloop bestendige woningen te ontwerpen. Een levensloopbestendige woning is een woning die zo gebouwd is dat deze geschikt is voor iedere levensfase van een bewoner. Een levensloopbestendige woning groeit als het ware mee met de bewoners. Daarmee wordt voorkomen dat bewoners moeten verhuizen vanwege ouderdom of een beperking. Bij levensloopbestendig bouwen worden woningen zo gebouwd dat ze geschikt zijn voor meerdere doelgroepen. Bij levensloop-bestendige bouwen gaat het om een combinatie van toegankelijkheid, veiligheid, bereikbaarheid en privacy. In de filosofie van levensbestendigheid betrekken jonge mensen dus een woning waarin ze kinderen kunnen krijgen en uiteindelijk oud en gebrekkig kunnen worden. Probeert u zich eens voor te stellen dat een echtpaar met 1 of 2 kinderen (het gemiddelde is 1,7 kind per echtpaar) op minder dan 50 m2 oppervlakte samenwoont. Dat een van de ouders van de kinderen de vrolijke, explosieve energie van Jochem Myjer of Bert Visser heeft en een van de kinderen de ADHD diagnose heeft gekregen. Is dat een levensloopbestendige situatie waarin een gezonde (sociale) ontwikkeling voor alle bewoners mogelijk is?

In 1996 was de minimale eis voor de Energieprestatiecoëfficiënt (EPC) 1,4. Sinds 1 januari 2020 worden, ter vervanging van de EPC eis die door de jaren heen naar 0,0 was teruggebracht, de BENG eisen gehanteerd (Bijna energie neutraal gebouw) bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning (de vroegere bouwaanvraag). De BENG eisen bestaan uit drie indicatoren:

  1. Energiebehoefte gebouw: de maximale energiebehoefte in kWh/m2 gebruiksoppervlak per jaar

  2. Primair fossiel energiegebruik: het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar

  3. Hernieuwbare energie: het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten

De bedoeling is om de energiebehoefte zo veel mogelijk te beperken en de energieopwekking zo veel mogelijk via alternatieve, hernieuwbare bronnen te laten verlopen om zo de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te minimaliseren.

Aan de beperking van de energiebehoefte wordt op allerlei manieren gewerkt. Met spaarlampen, energiezuinige apparaten (spelconsoles uitgezonderd!) en warmteterugwinning. Maar er is iets opmerkelijks aan de hand met ons beeld van beschikbare energie en ons beeld van fossiele brandstoffen. Volgens het onderstaande beeld van de wereld vloeibare brandstof voorraad is er kennelijk veel meer brandstof beschikbaar in “unidentified projects” dan dat we zouden verwachten. Het is alleen zaak om de beschikbare bronnen te vinden.


Ook zijn er in de wetenschappelijk wereld twee theoriën over de oorsprong van olie. De eerste alom gehanteerde theorie is dat olie is ontstaan in de aardkorst uit vergane resten van biologisch materiaal, met name planten die heel lang geleden op aarde voortkwamen. Uit deze theorie volgt uiteraard dat olie, bijgevolg een fossiele brandstof genaamd, in een eindige voorraad aanwezig is. Omdat we veel olie gebruiken is de kans groot dat we op enig moment geen olie meer uit de aardbodem kunnen onttrekken. Een van de belangrijkste redenen om te zoeken naar alternatieve, hernieuwbare energiebronnen. Deze theorie is leidend in de wereld.

Een andere theorie betoogt dat olie helemaal niet uit fossiele resten ontstaat, geen biotische oorsprong heeft. Dit houdt in dat de aarde zelf olie aanmaakt in geologische processen. Edward A. Culham komt in zijn proefschrift over Thomas Kuhn en Abiotische olie tot de conclusie dat de tweede theorie aannemelijk is terwijl de bewijzen tegen de eerste theorie, namelijk die van olie als (biotische) fossiele brandstof, zich opstapelen.


Kolonel Leroy Fletcher Prouty heeft een interessant verhaal dat de theorie van van olie als abiotische vloeistof verder ondersteunt:

Aan het einde van de 19e eeuw werd olie in grote hoeveelheden gevonden. De president van Standard Oil Company, John D, Rockefeller, een zeer slimme zakenman, bedacht dat hij aan olie die zo voor het opscheppen lag maar weinig kon verdienen. Bovendien zag hij mogelijkheden voor olie als brandstof in plaats van alleen maar als smeermiddel. Zijn inkomsten betroffen alleen het transport en niet de verkoop van olie. In 1892 stuurde hij wetenschappers naar een conventie in Wenen die gewijd was aan het vaststellen van wat nu precies organische substanties zijn. Daar werd duidelijk dat deze substanties bestaan uit waterstof, zuurstof en koolstof. Op grond hiervan kregen zijn geleerden het voor elkaar dat vastgesteld werd dat ruwe olie, die ook bestaat uit deze stoffen, moest zijn ontstaan uit levend materiaal. En dat daarom de naam ‘fossiel’ een geschikte benaming zou zijn. Het moge duidelijk zijn dat deze vaststelling Rockefeller het voordeel gaf dat olie dus in beperkte voorraad beschikbaar was. Een reden te meer om er geld voor te vragen en de prijs op te kunnen drijven. Sindsdien wordt olie in alle boeken die gaan over geologie als fossiele brandstof aangemerkt. Dit ondanks het feit dat fossielen gevonden tot een diepte van maximaal 16.000 voet terwijl olieboringen plaatsvinden tot een diepte van 30.000 voet. Volgens kolonel Leroy Fletcher Prouty is olie, na water, de meest voorkomende vloeistof op aarde. Daarom vullen leeggeboorde oliebronnen zich weer na verloop van tijd. Van Nostrand's Scientific Encyclopedia bevestigt zijn verhaal.

De eventuele grotere beschikbaarheid van olie(producten) maakt de uitstoot van verbrandingsgassen bepaald niet gunstiger. En het kan zeker geen kwaad om te zoeken naar alternatieve energiebronnen die bij voorkeur niet het nadeel van uitlaatgassen met zich meebrengen. Natuurlijk kennen we al vele alternatieve bronnen: waterkrachtcentrales, golf- en getijdecentrales, biomassa-installaties, zonnecollectoren, pv-cellen, warmtepompen en windmolens.

Maar er zijn veelbelovende en onverwachte alternatieven. In een krantenartikel uit 1933 laat Nikola Tesla, de beroemde uitvinder, weten dat hij op het spoor is van een alom aanwezige (cosmische) energie die hij met een door hem ontwikkeld apparaat weet te winnen. Opmerkelijk is ook zijn bewering dat hij met dit apparaat motoren en machines waar ook ter wereld draadloos van elektrische energie kan voorzien. Zou de wereld er naar alle waarschijnlijkheid niet heel anders uit hebben gezien als hij dit apparaat op de markt had kunnen brengen in voor zijn dood in 1941?


























































Na Nikola Tesla zijn er vele uitvinders geweest die getracht hebben deze cosmische energie te winnen. Recentelijk (2009) heeft een duitse professor, Claus W. Turtur een veelbelovend wetenschappelijk artikel gepubliceerd waarin hij beschrijft hoe deze energie, die ook wel vacuum energie genoemd wordt, omgezet kan worden in klassieke mechanische energie.

Anderen zoals Peter Granau et al. hebben methodes gevonden om chemische energie die zich van nature in water bevindt te laten vrijkomen waarbij de hoeveel ingebrachte energie kleiner is dan de hoeveelheid energie die vrijkomt.


Met al deze verhalen en ontwikkelingen vraag je je af waarom we zo druk doende zijn energie te besparen als er voldoende van voorhanden lijkt te zijn.

Ook wordt het discutabel om de isolatieschil die we voor onze gebouwen gebruiken als maar dikker moeten maken. Uit onderstaande tabel met de theoretische besparing in m3 gas moge ook duidelijk worden dat het dikker maken van de isolatie schil, ofwel het verhogen van de isolatiewaarde van de isolatieschil steeds minder aantoonbaar effect heeft terwijl de kosten wel aanzienlijk toenemen. Het verschil in gasbehoefte per jaar tussen een Rc van 4,0 m2K/W en 8,0 m2K/W is misschien maar 30 m3. Voor vloerisolatie en voor gevelisolatie lijkt er zelfs bijna geen verschil te zijn. De belangrijkste klap wordt gemaakt van niet isoleren naar wel isoleren.



In ons land mogen we overigens geen nieuwbouwwoningen meer bouwen met een gasaansluiting. De verwarming en de warmwatervoorziening zal met andere energie gerealiseerd moeten worden. Ook zijn er vergevorderde plannen om bestaande gebouwen gasloos te maken. Dit in tegenstelling tot onze buurlanden die het gebruik van gas juist promoten.

Zouden HHO systemen een oplossing zijn? Die systemen maken gebruik van het gegeven dat water bestaat uit brandbrare stoffen die alleen maar van elkaar gescheiden dienen te worden.

Schoon, goedkoop en uitbundig voorhanden...


(wordt vervolgd...)